De ongelijke toegang tot overheidsdiensten

Het komende kabinet Rutte-III gaat het eigen risico in de zorg niet verhogen. Dat klinkt geruststellend, zou je denken. Enkele weken geleden lekten immers de plannen uit dat het eigen risico verhoogd zou worden. Maar we vergeten dat de verhoging van het eigen risico tot €385 door het kabinet Rutte-II een noodmaatregel was ten tijde van de economische crisis; we zouden anders de begroting niet binnen de Europese afspraken houden. Het verhogen van het eigen risico was een eenvoudige manier om de begroting passend te maken.

 

Ik denk dat we getuige zijn van een knap staaltje politiek spel van de onderhandelaars. Eerst lekken over een verhoging, en vervolgens toch het eigen risico netjes op niveau laten. Dat de zorgpremie vervolgens verhoogd wordt maakt de economische consequenties van veel huishoudens niet minder schrijnend.

 

Meer algemeen is het wonderlijk dat verdelingsvragen – welke groepen voelen de consequenties van overheidsbeleid meer dan andere? – weinig aandacht krijgen in de politiek. Of het nu gaat om de zorg, het onderwijs of welzijn, de enorme herziening van de verzorgingsstaat heeft verschillende effecten op de bevolking, afhankelijk van de opleiding en financiële middelen die men ter beschikking heeft. Maar dat lijkt ons niet te deren.

 

Onderwijsbeleid is vooral “handen af van de school”. Dit leidt tot strategisch gedrag van scholen zodat de brede scholengemeenschappen langzaamaan verdwijnen, en de brugklassen verkort en versmald worden. De etnische en sociaal-economische segregatie op de basisscholen in de grote steden doet niet onder voor de segregatie in Amerikaanse steden. En de overheid zegt: laat scholen het vooral zelf doen. In zo’n wereld is het geen verrassing dat scholen zich in een marktsituatie gesteld voelen waar concurrentie voor ‘klanten’ de boventoon voert. En ook niet dat kinderen van hoogopgeleide ouders gemakkelijker hun weg vinden in de autonome scholen.

 

In de zorg zien we het eigen risico toenemen tot een bedrag dat veel huishoudens in de portemonnee voelen. Zorgtoeslag komt enkel de armere huishoudens toe, terwijl huishoudens met inkomens vanaf 40.000 euro per jaar hun doktersrekening zien groeien. Dan kan de totale inkomensongelijkheid nog zo stabiel zijn in Nederland, zoals het CBS onlangs nog liet zien, als huishoudens een groter deel van hun inkomen aan zorg moeten uitgeven voelt Jan Modaal het het meest in de beurs.

 

Ook in het welzijn is de toegankelijkheid van de verzorgingsstaat in het geding, omdat de participatiesamenleving beroep doet op individuele hulpbronnen en netwerken. Zoals onderzoek uitwijst kunnen de hoger opgeleiden gemakkelijker sociale steun regelen, en zijn zij beter in staat om de weg te vinden in gepersonaliseerde arrangementen dan lager opgeleiden.

 

Het is een interessante paradox dat, naarmate individuele hulpbronnen belangrijker worden voor de toegang tot overheidsvoorzieningen, er electoraal minder steun is voor partijen die de belangen van hen die over minder hulpbronnen beschikken als uitgangspunt hebben. We hebben dit blijkbaar met zijn allen gewild. Nederlanders vinden het acceptabel dat, in tijden van krapte, er tijdelijk meer gevraagd wordt van de belastingbetaler. Maar dat het nieuwe kabinet wegkomt met een hoog eigen risico en een hogere zorgpremie ook in economische voorspoed geeft te denken over de blinde vlek van ongelijkheid. Dat het CDA het eigen risico sterk wilde inkrimpen schijnt de onderhandelaars, en het electoraat, niet te deren.

 

Misschien is men in Nederland allergisch geworden voor centraal overheidsbeleid. Perverse prikkels die de toegankelijkheid van overheidsvoorzieningen raken zijn minder erg dan een overheid die zich bemoeit met onderwijs, zorgvraag en welzijn, lijken we te denken. Of weet men in Nederland gewoon niet van de hoed en de rand?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *