Grote verschillen in het Nederlandse onderwijs

Onlangs bracht UNICEF, de jeugd-tak van de Verenigde Naties, een rapport uit over verschillen in leerprestaties tussen leerlingen in 41 rijkere landen (OECD en/of EU lid). En voor Nederland ziet het er niet goed uit: de verschillen tussen de boven- en de onderkant in termen van schoolprestaties zijn onder vijftienjarigen erg groot in vergelijking met andere landen. Dit is een verrassende conclusie, omdat in Nederland vaak gedacht wordt dat de onderkant relatief goed presteert, en de bovenkant relatief slecht, zodat de spreiding juist relatief laag is in Nederland.

UNICEF kijkt naar de spreiding door te kijken naar de leesprestaties van het 90e percentiel (P90, waar 90 procent van de leerlingen in het land lager scoort, de bovenkant) en het 10e percentiel (P10, waar 90 procent hoger scoort, de onderkant). Dat doet men voor het basisonderwijs op basis van de PIRLS 2016 data (groep 6 uit het basisonderwijs), en voor het voortgezet onderwijs op basis van de PISA data (onder vijftienjarigen). De kloof is, in het basisonderwijs, in Nederland het kleinst van alle landen, maar in het voortgezet onderwijs zakt Nederland naar de 26e plaats (grote kloof).

Geen aandacht voor?

Het is verrassend dat er zo weinig aandacht is voor dit rapport. De verschillen tussen leerlingen nemen hier meer toe dan elders, tussen het PO en het VO. De getoonde ongelijkheden passen in een breder beeld geschetst door de Onderwijsinspectie dat ongelijkheid en segregatie in het Nederlandse onderwijs toenemen.

Bovendien zien we in Nederland de grootste verschillen tussen VO-scholen van alle landen (bijna 60% van alle verschillen tussen leerlingen vinden we tussen scholen, slechts 40% binnen scholen). Dat hangt direct samen met de selectie in ons schoolsysteem, waarbij leerlingen op basis van leerprestaties worden gescheiden. Als we dit gegeven combineren met het feit dat het niveau waarin men instroomt een causaal effect heeft op hoeveel men verder leert, geeft dat wel te denken over het vroege moment van selectie in het Nederlandse onderwijs. We ontnemen grote groepen leerlingen de kans om het beste uit zichzelf te halen.

Critici van dit soort data zeggen dat het geen ‘high stakes tests’ zijn; het maakt voor de leerlingen geen verschil hoe goed ze presteren op deze toets, dus doen ze hun best niet. Dan is wel de vraag waarom juist Nederlandse kinderen in het VO hun best niet doen (en niet elders, en niet in het basisonderwijs). Van Nederlandse kinderen is bekend, ook dankzij dit soort internationale data, dat zij weinig met school op hebben. Dus het zou kunnen dat ze kinderen minder hun best doen op dit soort toetsen dan elders. Maar dit zou mijns inziens een al te gemakkelijk verweer zijn tegen deze resultaten. We leveren data alleen in tegen betere data.

 

One Reply to “Grote verschillen in het Nederlandse onderwijs”

  1. De desinteresse van kinderen in VO heeft volgens mij rechtstreeks te maken met 2 oorzaken.
    -1 is de lagere opleidingsgraad van de docenten, en de lagere betaling en waardering voor docenten daaraan gekoppeld
    -2 is de bemoeienis van VWS met de inhoud van het onderwijs: de geheel voorgekauwde werkboeken bij de vakken, o.a.geschiedenis, zijn de dood in de pot voor de pedagogische leraar: het wordt hem/haar onmogelijk gemaakt ‘zelf het vak te maken’, als professional. De leraars gedegradeerd tot uit oeringsorgaan van wat ze op VWS allemaal bepalen. Hiermee wordt het onderwijs niveau lager, leger, en zielloos.
    Dit voelen de pubers feilloos aan.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *